ECLI:NL:CRVB:2008:BD1365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die een terugvordering van bijstandskosten door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam bevestigde. Het College had bijstand over de periode 1 januari 1999 tot en met 20 maart 2001 teruggevorderd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met betrokkene.
De Raad stelde vast dat appellant en betrokkene gedurende genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij hun hoofdverblijf deelden en zorg droegen voor elkaar. Dit werd onder meer bevestigd door verklaringen van betrokkene en buurtbewoners. Omdat betrokkene haar inlichtingenplicht niet was nagekomen, was het College bevoegd de kosten van ten onrechte verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen op grond van artikel 59, tweede lid, WWB.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het College van haar beleidsregels zou afwijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten mede van appellant bevestigd.