ECLI:NL:CRVB:2008:BD0852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijze van invordering teruggevorderd onverschuldigd betaalde AOW-pensioen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over de terugvordering en wijze van invordering van onverschuldigd betaalde AOW-pensioenbedragen. Na vaststelling van het te veel betaalde bedrag en de aflossingscapaciteit, wijzigde de Svb de wijze van invordering in een besluit van 11 december 2007.
De Raad oordeelt dat het herzieningsbesluit en het terugvorderingsbesluit in rechte vaststaan en dat het hoger beroep tegen het invorderingsbesluit van 19 oktober 2004 niet-ontvankelijk is omdat de Svb dit besluit niet meer handhaaft. De Raad toetst het nieuwe besluit van 11 december 2007 en acht dit in overeenstemming met het toepasselijke invorderingsregime.
De Raad concludeert dat de Svb bij de berekening van de aflossingscapaciteit juiste gegevens heeft gebruikt en dat het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond is. De Raad veroordeelt de Svb tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het invorderingsbesluit van 19 oktober 2004 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond.