ECLI:NL:CRVB:2008:BD0069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeend verwijtbaar werkloos worden
Appellant was sinds februari 2004 in dienst als schoonmaker en werd op staande voet ontslagen wegens vermeende ongeoorloofde afwezigheid vanaf 25 april 2005. Hij stelde dat hij mondeling toestemming had gekregen voor vakantie. De kantonrechter oordeelde dat appellant zonder bericht afwezig was en dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, waarna de arbeidsovereenkomst werd ontbonden.
Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden, gebaseerd op de kantonrechterlijke feitenvaststelling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de feiten anders waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV niet alle benodigde feiten heeft onderzocht en dat niet uit de stukken blijkt dat appellant eerder ongeoorloofd afwezig was. De Raad stelt dat het UWV nader onderzoek had moeten doen, waaronder het confronteren van de werkgever met het standpunt van appellant. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en wordt vernietigd. De Raad beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt bevolen een nieuwe beslissing te nemen.