ECLI:NL:CRVB:2008:BC9657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag IOAW-uitkering buiten behandeling gesteld wegens niet verstrekken gevraagde gegevens
Appellant vroeg op 25 juli 2005 een IOAW-uitkering aan. Het College verzocht hem om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften van de laatste drie maanden, met een uiterste inleverdatum. Appellant bood inzage aan, maar weigerde kopieën te overleggen. Het College stelde de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb Pro buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van de benodigde gegevens.
Appellant maakte bezwaar, maar het College handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de gevraagde bankafschriften noodzakelijk waren voor een juiste beoordeling en dat inzage alleen onvoldoende was om de aanvraag af te handelen.
Verder oordeelde de Raad dat het College terecht van het horen van appellant in bezwaar kon afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het bestuursorgaan bevoegd is een aanvraag buiten behandeling te stellen indien noodzakelijke gegevens niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt.
Uitkomst: De aanvraag IOAW-uitkering werd buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van de gevraagde bankafschriften, en het bezwaar werd ongegrond verklaard.