ECLI:NL:CRVB:2008:BC8698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en motivering van WAO-schatting en CBBS-signaleringssystematiek
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde de WAO-uitkering van betrokkene bij besluit van 3 november 2004 herzien vast op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Almelo vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige beoordeling, met name door onvolkomenheden in de geautomatiseerde vergelijking van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met de functiebelasting.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het CBBS-systeem, ondanks enkele onvolkomenheden, in beginsel als ondersteunend systeem aanvaardbaar is, mits schattingsbesluiten adequaat worden gemotiveerd. De Raad stelde vast dat het aangepaste CBBS-signaleringssysteem mogelijke overschrijdingen van belastbaarheid in functies adequaat signaleert en dat het begrip 'bijzondere belasting' geen structurele tekortkoming meer vormt.
De Raad concludeerde dat de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigde, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. De Raad bevestigde het oordeel dat voor alle door het CBBS gesignaleerde punten een afzonderlijke toelichting vereist is en verwierp het standpunt van appellant dat nadere motivering in sommige gevallen achterwege kan blijven.
Uiteindelijk bepaalde de Raad dat appellant een griffierecht van € 428,- moet betalen en dat het hoger beroep beperkt wordt behandeld op de arbeidskundige grieven. Betrokkene was niet verschenen tijdens de zitting, waardoor het verweer achterwege bleef.
Uitkomst: De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende motivering, maar de Raad liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand met een griffierecht van € 428,-.