ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling overschrijding redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding bij intrekking WAO-uitkering
Appellante had haar WAO-uitkering ingetrokken gekregen per 29 mei 1999. Na een melding van toegenomen beperkingen in november 1999 werd een onderzoek afgerond in april 2000, waarbij werd geconcludeerd dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedroeg. Appellante en haar gemachtigde verzochten herhaaldelijk om een officieel besluit, dat pas op 6 september 2004 werd genomen.
De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat er geen sprake was van schending van de redelijke termijn. In hoger beroep betwist appellante vooral de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt zij om vergoeding van immateriële schade.
De Raad stelt vast dat de redelijke termijn aanvangt bij het moment dat sprake is van een geschil, hier gelijkgesteld aan de brief van 25 juli 2000 waarin appellante verzocht om een primair besluit. Omdat het besluit pas in september 2004 werd genomen, is de termijn van ruim 7,5 jaar overschreden, waarvan 4,5 jaar bestuurlijk. De Raad acht de zaak niet complex en vindt de lange duur niet gerechtvaardigd.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van de schadevergoeding betreft en veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.500,-- immateriële schadevergoeding. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellante vergoed. De medische beoordeling blijft ongewijzigd en de intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden en veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.500,-- immateriële schadevergoeding aan appellante.