ECLI:NL:CRVB:2008:BC6712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G.A.J. van den Hurk
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een bijstandsuitkering die het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage introk op grond van het vermoeden dat appellant met zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voerde. Het College baseerde zich op verklaringen en een onderzoek, maar beschikte niet over volledige authentieke processen-verbaal ten tijde van het besluit. De Raad oordeelt dat het College zich heeft gebaseerd op samenvattingen en niet de juistheid van essentiële feiten heeft geverifieerd, wat strijdig is met artikel 3:2 Awb Pro.
De beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding vereist dat partijen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Appellant stond ingeschreven op een ander adres dan zijn ex-echtgenote, en de verklaringen en omstandigheden boden onvoldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf daadwerkelijk had verplaatst. Ook het energieverbruik en andere feiten ondersteunden het standpunt van het College niet voldoende.
De Raad vernietigt het besluit van 21 februari 2005 en de uitspraak van de rechtbank die dit besluit had bevestigd. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, inclusief een beoordeling van het verzoek van appellant om schadevergoeding en kostenvergoeding. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.