ECLI:NL:CRVB:2008:BC5474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellante was sinds 1992 in vaste dienst als docente en vroeg in 2004 buitengewoon verlof aan dat werd afgewezen. Zij vertrok desondanks naar Oostenrijk, meldde zich ziek tijdens een verplichte studiedag, en kreeg een berisping met salarisinhouding van haar werkgever. Na deze incidenten vroeg zij bij de kantonrechter ontbinding van haar arbeidsovereenkomst, die werd toegewezen met een vergoeding.
Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos was geworden door haar eigen verzoek tot ontbinding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de werkloosheid verwijtbaar was, ondanks verstoring van de arbeidsverhouding. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet redelijkerwijs van haar kon worden gevergd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat het indienen van het ontbindingsverzoek in principe verwijtbare werkloosheid oplevert, tenzij sprake is van een acute noodzaak. De omstandigheden boden geen aanleiding tot een uitzondering. De werkgever had nog pogingen gedaan tot voortzetting, waaronder het aanbieden van alternatieve functies die appellante weigerde.
De Raad wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigde de afwijzing van de WW-uitkering. Hiermee is duidelijk dat eigen initiatief tot ontbinding zonder zwaarwegende redenen leidt tot verlies van WW-rechten.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden door zelf om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst te verzoeken.