ECLI:NL:CRVB:2008:BC5036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering na reorganisatieontslag
Appellante was sinds 7 januari 2001 in dienst bij haar werkgever. In verband met een reorganisatie werd haar functie opgeheven en is de arbeidsovereenkomst ontbonden door de kantonrechter met ingang van 1 mei 2006, waarbij een vergoeding werd toegekend. Appellante vroeg een WW-uitkering aan per die datum. Het UWV kende de uitkering toe vanaf 1 juni 2006, maar weigerde de uitkering over de periode 1 tot en met 31 mei 2006 vanwege de fictieve opzegtermijn.
De rechtbank Breda oordeelde dat het UWV terecht de aanzegtermijn zoals bedoeld in artikel 7:672 lid 1 BW Pro bij de berekening van de fictieve opzegtermijn had betrokken, ondanks het ontbreken van een specifieke opzegregeling in de arbeidsovereenkomst. Appellante stelde in hoger beroep dat dit onterecht was, maar de Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
De Raad vond geen nieuwe argumenten in het hoger beroep die aanleiding gaven tot wijziging van het oordeel. Ook wees de Raad een verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak bevestigt de toepassing van de aanzegtermijn bij de fictieve opzegtermijn in het kader van de WW-uitkering na reorganisatieontslag.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanzegtermijn moet worden betrokken bij de fictieve opzegtermijn en wijst het hoger beroep af.