ECLI:NL:CRVB:2008:BC3560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Geen ontheffing arbeidsverplichting vrouw tijdens zwangerschap wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid man
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met arbeidsverplichtingen opgelegd aan beide. Appellant werd gedeeltelijk ontheven van arbeidsverplichtingen wegens medische beperkingen, terwijl appellante volledig aan haar arbeidsverplichtingen moest voldoen tot zes weken voor de bevalling van hun kind.
Het College legde een waarschuwing op vanwege het niet melden van autobezit, waarna de bijstand tijdelijk werd verlaagd. Bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot arbeidsverplichting ongegrond en het beroep tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het College terecht heeft geoordeeld dat appellant duurzaam arbeid kan verrichten en dat appellante niet gelijkgesteld kan worden met een alleenstaande ouder, aangezien appellant wel degelijk zorg kan bieden. De zorgverdeling binnen het gezin moet zodanig zijn dat de ander kan werken. De waarschuwing heeft geen nadelige gevolgen meer, waardoor het beroep daarop niet-ontvankelijk is.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met een nadere motivering over de arbeidsverplichtingen van appellante, en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ontheffing van arbeidsverplichtingen aan appellante en verklaart het hoger beroep ongegrond.