ECLI:NL:CRVB:2008:BC3280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ziekte en ontslag op staande voet
Appellant was sinds juni 2005 werkzaam als chauffeur/belader bij een werkgever. Na ziekmelding op 3 november 2005 werd hij op 7 november 2005 door de verzuimcoördinator klussend in zijn nieuwe huis aangetroffen, terwijl hij zich niet had hersteld gemeld. Dit leidde tot op non-actiefstelling en ontslag op staande voet op 10 november 2005. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 15 maart 2006.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant bewust onder ziekteverlof kluste en geen geloofwaardige verklaring gaf voor zijn afwezigheid op 7 november. Appellant had geen verlof aangevraagd en stond ingeroosterd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld jegens de werkgever door zich niet hersteld te melden en geen contact op te nemen na het bezoek van de verzuimcoördinator. Gezien het strenge ontslagbeleid van de werkgever was het voor appellant voorzienbaar dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Er waren geen omstandigheden die de verwijtbaarheid konden verminderen. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.