ECLI:NL:CRVB:2008:BC2852

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7261 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen herzieningsbesluit WAO-uitkering met toekenning proceskosten en rentevergoeding

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien en te verlagen naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 25 november 2004. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens de behandeling bij de Centrale Raad van Beroep trok het UWV het bestreden besluit in en herzag het eerdere besluit, waardoor de WAO-uitkering ongewijzigd bleef op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond onder vernietiging van het bestreden besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante in beide instanties, begroot op €1.288,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €140,-. Daarnaast werd het UWV verplicht tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De uitspraak benadrukt dat het niet langer handhaven van het bestreden besluit meebrengt dat de gevorderde rente over de uitkering voor vergoeding in aanmerking komt, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Hiermee is appellante in het gelijk gesteld en krijgt zij volledige compensatie voor de gemaakte kosten en de financiële gevolgen van het eerdere besluit.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten, griffierecht en wettelijke rente.

Uitspraak

05/7261 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 november 2005, 05/25 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. J. Teeninga, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben op elkaars stellingen gereageerd.
Bij schrijven van 16 oktober 2007 heeft mr. C.F.M. van den Ekart bericht, dat hij de behandeling van de zaak van de eerder genoemde gemachtigde overneemt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante en laatst genoemde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 september 2004 heeft het Uwv besloten de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante per 26 oktober 2004 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van
26 november 2004 (hierna: het bestreden besluit 1) is de ingangsdatum van deze herziening bepaald op 25 november 2004.
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1, welk beroep door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard.
Tijdens de zitting van de Raad is namens het Uwv een nieuw besluit van
30 november 2007 (hierna: het bestreden besluit 2) overgelegd, waarbij het Uwv, kort gezegd, heeft besloten het bestreden besluit 1 in te trekken, het besluit van
24 september 2004 te herroepen en de WAO-uitkering van appellante per
25 november 2004 ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft hierin geen aanleiding gezien om het hoger beroep in te trekken en heeft verzocht – gelijk in het hoger beroepschrift reeds was gedaan – om veroordeling van het Uwv in de proceskosten en om vergoeding van het betaalde griffierecht en van (rente)schade.
Nu het Uwv het bestreden besluit 1 ook zelf niet meer juist acht, ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep, onder vernietiging van het bestreden besluit 1, gegrond te verklaren. Tevens acht de Raad termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties wegens de haar verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade merkt de Raad op, dat het niet langer handhaven van het bestreden besluit 1 in dit geval meebrengt dat de gevorderde rente over de na te betalen uitkering voor vergoeding in aanmerking komt. Met betrekking tot de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB 1495, JB 1995/314.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit 1;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante, ten bedrage van in totaal € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van in totaal € 140,-;
Veroordeelt het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van wettelijke rente als in de vorige rubriek van deze uitspraak aangegeven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
MH