ECLI:NL:CRVB:2008:BC2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- M.C. Bruning
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid ambtenaar en doorbetaling bezoldiging na ontslag
Betrokkene, sinds 1973 werkzaam bij het ministerie van Justitie en vanaf 2002 geplaatst bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd), werd geschorst en ontslagen wegens verdenking van een zedenmisdrijf en ongeschiktheid voor het eigen werk. Een verzekeringsarts van het UWV oordeelde per 11 december 2003 dat betrokkene niet geschikt was voor zijn functie, maar de minister weigerde doorbetaling van bezoldiging na ontslag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing gegrond wegens onzorgvuldigheid van de minister, die geen aanvullende medische deskundigen had geraadpleegd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze conclusie en oordeelt dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, mede omdat het advies van de bedrijfsarts niet voldoende onderbouwd was en in strijd met het deskundigenoordeel van het UWV.
De Raad veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten en bepaalt dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van de uitspraak. De Raad concludeert dat betrokkene terecht als ongeschikt is beoordeeld en dat het bezwaar tegen de afwijzing van doorbetaling van bezoldiging moet worden toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene terecht als ongeschikt is beoordeeld en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten, met de verplichting tot een nieuw besluit op bezwaar.