ECLI:NL:CRVB:2008:BC2389

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5614 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWBArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuist woonadres

Appellant ontving vanaf december 2000 bijstand als alleenstaande. Het College beëindigde de bijstand per 1 april 2004 na een onderzoek naar een tip dat appellant werkzaamheden verrichtte en niet op het opgegeven adres woonde. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf december 2003 niet meer op het opgegeven adres woonde en dit niet had gemeld. Voor de periode 2000-2003 was de woning praktisch onbewoonbaar en werd deze niet feitelijk bewoond door appellant.

Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten van bijstand terug, wat door de rechtbank aanvankelijk werd vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen in stand werden gelaten. In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door onjuiste woonadresgegevens te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen conform de WWB en het beleid van het College. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot afzien van intrekking of terugvordering leidden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens onjuist opgegeven woonadres wordt bevestigd.

Uitspraak

06/5614 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2006, 05/5377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2007. Voor appellant is mr. Kuit verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving vanaf 1 december 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 14 april 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2004 beëindigd (lees: ingetrokken).
Naar aanleiding van een tip in maart 2004 dat appellant werkzaamheden verricht en samenwoont, is door de Afdeling Bijzondere Onderzoeken een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.
De resultaten van het ingestelde onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 januari 2005. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 27 januari 2005 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2000 tot en met 31 maart 2004 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 40.966,61 bruto. Aan dit besluit heeft het College onder meer ten grondslag gelegd dat appellant niet (volledig) aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan door niet te melden dat hij niet op het adres [adres 1] te Rotterdam woonde.
Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vanwege een motiveringsgebrek vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens zijn beslissingen over proceskosten en griffierecht gegeven.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft, beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel op het adres [adres 1] te Rotterdam heeft gewoond op het moment dat hij een bijstandsuitkering ontving. Ondanks het ontbreken van een Eneco-aansluiting zag hij zich genoodzaakt om in die woning te verblijven. Ter zitting van de Raad is aangegeven dat appellant niet langer betwist dat hij vanaf 1 december 2003 niet woonde op het opgegeven woonadres en dit niet aan het College heeft gemeld. Vanaf dat tijdstip verhuurde appellant zijn woning aan de [adres 1] aan derden.
Met betrekking tot de resterende periode van 1 december 2000 tot 1 december 2003 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksgegevens voldoende grondslag bieden om aan te nemen, dat appellant, anders dan hij aan het College heeft opgegeven, niet zijn feitelijke woonadres had op het adres [adres 1]. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat de woning vanwege het ontbreken van een keuken, badkamer en Eneco-aansluiting praktisch onbewoonbaar was en dat ook uit de afgelegde verklaringen (waaronder die van appellant zelf) genoegzaam blijkt dat de woning feitelijk niet door hem werd bewoond.
Door onjuiste informatie te verstrekken over zijn woonadres heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier in geding recht had op bijstand. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn door de Raad in zijn uitspraak van 20 maart 2007, LJN BA1292, niet onredelijk geachte beleid besloten tot algehele intrekking. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.
Daarmee is gegeven dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. Het College heeft in overeenstemming met zijn eveneens door de Raad in zijn eerdergenoemde uitspraak niet onredelijk geachte beleid besloten tot volledige terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2008.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) A. Badermann.
IJ100108