ECLI:NL:CRVB:2008:BC2388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting woonadres
Appellant ontving vanaf 7 juli 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van twijfels over zijn woonsituatie bezocht het College op 30 november 2004 onaangekondigd het opgegeven adres, waar bleek dat appellant daar niet daadwerkelijk woonde maar het adres als postadres gebruikte.
Het College trok de bijstand in over de periode van 7 juli 2003 tot en met 9 december 2004 en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad vond het huisbezoekrapport en de verklaringen van de eigenaar van de woning overtuigend bewijs dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Wisselende verklaringen van appellant over zijn woonsituatie en het ontbreken van persoonlijke spullen bevestigden dit. Hierdoor was de inlichtingenverplichting geschonden en kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad zag geen reden om het beleid van het College onredelijk te achten of om daarvan af te wijken. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting over het woonadres wordt bevestigd.