ECLI:NL:CRVB:2008:BC1689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens herstel tot WAO-beoordelingsniveau
Appellante ontving tot juni 2003 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na intrekking van deze uitkering ontving zij een WW-uitkering en meldde zich in juli 2004 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts stelde op 18 februari 2005 vast dat zij hersteld was tot het niveau van de laatste WAO-beoordeling, met hersteldatum 25 februari 2005.
Het UWV besloot daarop het ziekengeld per die datum te beëindigen, omdat appellante niet meer ongeschikt was voor haar arbeid. Appellante maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een verslechtering van haar gezondheidstoestand ten opzichte van de WAO-beoordeling. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep verklaarden het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellante zonder medische onderbouwing niet méér beperkingen kon worden toegerekend dan bij de WAO-beoordeling.
De Raad benadrukte dat gangbare arbeid, zoals geselecteerde functies bij de WAO-beoordeling, leidend is voor de beoordeling van ongeschiktheid in het kader van de Ziektewet. Er is geen eis dat moet worden aangetoond dat deze functies nog actueel zijn op het moment van beoordeling. De aangevallen uitspraak is daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld per 25 februari 2005 omdat appellante niet méér arbeidsongeschikt was dan bij de WAO-beoordeling.