ECLI:NL:CRVB:2008:BC1538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na rugklachten en operaties
Appellant ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering, die in de loop der jaren is aangepast naar wisselende arbeidsongeschiktheidsgraden. Na het uitvallen van appellant wegens rugklachten en twee operaties in 2003 en 2004, heeft het UWV de uitkering herzien op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige selectie van functies.
De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische grondslag van de schatting onderschreef en oordeelde dat de door appellant overgelegde medische informatie geen nieuwe feiten bevatte. Het advies van de Indicatiecommissie Sociale Werkvoorziening werd niet gevolgd vanwege verschillen in beoordelingskader tussen WSW en WAO.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in die twijfel opriepen aan de vastgestelde beperkingen. De Raad volgde de rechtbank en vond het UWV overtuigend gemotiveerd waarom het advies van de indicatiecommissie geen betekenis heeft voor de WAO-beoordeling.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het beroep af. Tevens werd het bezwaar van appellant tegen de herziening deels gegrond verklaard, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 25 en 35%.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.