ECLI:NL:CRVB:2007:BC7423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding niet gegrond verklaard
Betrokkene ontving sinds 1 februari 2000 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) na het overlijden van zijn echtgenote. De Sociale verzekeringsbank beëindigde deze uitkering met ingang van 30 november 2002, stellende dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met een andere persoon die op zijn adres woonde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde dit besluit onterecht en vernietigde het, omdat geen onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bestond en er geen bewijs was van wederzijdse verzorging. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep. Hoewel betrokkene en de medebewoner hetzelfde hoofdverblijf hadden, was het enkele verzoek om medehuurder te worden onvoldoende als registratie. Tevens ontbrak een verdergaande financiële verstrengeling en wederzijdse zorg.
De Raad concludeert dat de situatie niet voldoet aan de criteria voor gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Anw. Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt afgewezen en de appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd.