ECLI:NL:CRVB:2007:BC1479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-, TW- en ZW-uitkeringen wegens vermeende werknemersfraude
Appellante had in de periode van 3 mei 2004 tot en met 5 november 2004 een uitzendovereenkomst en een arbeidsovereenkomst met een uitzendbureau en ontving op basis daarvan een WW-uitkering. Het UWV voerde onderzoek uit in het kader van het project Bezem naar mogelijke werknemersfraude en concludeerde dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Op die grond herzag het UWV de uitkeringen en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
Appellante betwistte dit en stelde dat zij daadwerkelijk heeft gewerkt en loon heeft ontvangen. Zij overlegde arbeidsovereenkomsten en loonstroken. De rechtbank handhaafde de besluiten van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de echtheid van de stukken en onvoldoende rekening had gehouden met de stellingen van appellante.
De Raad stelde vast dat het UWV zich uitsluitend had gebaseerd op het rapport van de opsporingsambtenaar en verklaringen die appellante betwistte, zonder nader onderzoek. Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad vernietigde daarom de bestreden besluiten en bepaalde dat het UWV opnieuw op bezwaar moet beslissen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De bestreden besluiten tot herziening en terugvordering van uitkeringen worden vernietigd en het UWV dient opnieuw te beslissen.