ECLI:NL:CRVB:2007:BC1216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WAZ-uitkering met wachttijd bij voortzetting arbeidsongeschiktheid door zelfde oorzaak
Appellant, een zelfstandig adviseur, ontving tot september 1999 een WAZ-uitkering wegens overspannenheid met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na intrekking van deze uitkering omdat hij weer in staat was te werken, viel hij op 21 mei 2001 opnieuw uit met dezelfde klachten. Het UWV kende hem vanaf 18 juni 2001 een WAZ-uitkering toe na een wachttijd van vier weken.
Appellant voerde aan dat zijn nieuwe klachten, met name nekklachten, een andere oorzaak hadden dan de eerdere overspannenheid, waardoor een wachttijd van 52 weken in acht genomen moest worden. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de klachten voortkwamen uit dezelfde oorzaak en dat de kortere wachttijd terecht was toegepast.
De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen en neuroloog, waaruit bleek dat de klachten verband hielden met spanningen en stress, en niet met een nieuwe, zelfstandige aandoening. Hierdoor werd het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 december 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAZ-uitkering terecht is toegekend met ingang van 21 mei 2001 met een wachttijd van vier weken.