ECLI:NL:CRVB:2007:BB9734

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6172 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging van WW-uitkering wegens onrechtmatig verblijf en ontbreken tewerkstellingsvergunning

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om zijn WW-uitkering te ontzeggen. De ontzegging is primair gebaseerd op het feit dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft en subsidiair op het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning. Appellant had op 6 mei 2005 een aanvraag om een WW-uitkering ingediend, maar deze werd hem bij besluit van 29 juli 2005 ontzegd. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd door het Uwv op 9 januari 2006. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht had en daarom niet als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (WW) kon worden aangemerkt.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning, als werknemer in de zin van de WW moet worden beschouwd omdat hij arbeid heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst en premies heeft afgedragen. Hij stelde ook dat het niet aanvragen van een tewerkstellingsvergunning door zijn werkgever hem niet mag worden tegengeworpen. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de overwegingen van de rechtbank volledig werden onderschreven en dat artikel 3 van de WW geen ruimte biedt voor een belangenafweging in deze situatie. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 21 november 2007, waarbij de voorzitter N.J. van Vulpen-Grootjans en de leden C.P.J. Goorden en B.M. van Dun betrokken waren. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken, met K. Moaddine als griffier.

Uitspraak

06/6172 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 oktober 2006, 06/281 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant heeft op 6 mei 2005 een aanvraag om een uitkering ingevolge de WW ingediend. Deze uitkering is hem bij besluit van 29 juli 2005 ontzegd op de grond dat hij geen werknemer is in de zin van de WW. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit). Het Uwv heeft zijn standpunt primair gebaseerd op het feit dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft en subsidiair op het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe:
“Niet in geschil is dat eiser geen verblijfsrecht heeft in de zin van artikel 8, a tot en met e en l, Vw 2000. Gelet hierop wordt eiser op grond van artikel 3, derde lid, WW niet als werknemer in de zin van deze wet aangemerkt. Omdat ook in het verleden geen sprake is geweest van een dergelijk verblijfsrecht kan eiser zich ook niet beroepen op het bepaalde in artikel 3, zesde lid, onder b, WW.
Evenmin is in geschil dat eiser vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingen-wet 2000. Op grond van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Eiser valt niet onder één van de uitzonderingen genoemd in art. 3 en 4 Wav. Om die reden kan van het rechtmatig (in Nederland) verrichten van arbeid in de zin van artikel 3, zesde lid, onder a, WW geen sprake zijn.
Gesteld noch gebleken is dat eiser op grond van het bepaalde in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 als werknemer in voornoemde zin moet worden aangemerkt.
De beweerde strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid kan aan het vorenstaande niet afdoen nu in dit opzicht geen sprake is van in het bestuursrecht erkende rechtsbeginselen welke ertoe kunnen leiden dat een wettelijke bepaling buiten toepassing wordt gelaten.
De stelling dat eiser meer dan 10 jaren in Nederland verblijft en alhier legale arbeid heeft verricht, in verband waarmee sociale premies op het loon zijn ingehouden, maakt het vorenstaande evenmin anders, nu eiser hieraan niet het recht kan ontlenen dat hij als werknemer in voornoemde zin moet worden aangemerkt.”
4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij, ofschoon hij nooit heeft beschikt over een verblijfsvergunning, als werknemer in de zin van de WW moet worden beschouwd omdat hij arbeid heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, premies heeft afgedragen, beschikte over een sofi-nummer en procedures over zijn verblijfsstatus in Nederland heeft mogen afwachten. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hem niet mag worden tegengeworpen dat zijn werkgever heeft nagelaten een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Appellant meent dat de rechtbank de strekking van zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft miskend door dat niet te plaatsen in het licht van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Wat betreft de vraag of appellant werknemer is in de zin van de WW onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank volledig. Artikel 3 van de WW biedt niet de ruimte om appellant op grond van de feiten en omstandigheden die door hem zijn aangevoerd aan te merken als werknemer in de zin van die wet. Artikel 3 van de WW biedt evenmin ruimte voor een belangenafweging. Appellants beroep op artikel 3:4 van de Awb kan dan ook niet slagen.
5.2. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze situatie geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, als voorzitter en
C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) K. Moaddine.
20/11
SG