ECLI:NL:CRVB:2007:BB9707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos door plichtsverzuim
Appellant was als groepsleerkracht werkzaam bij Sirius en kreeg na een periode van ziekte wegens alcoholverslaving afspraken opgelegd die hij niet mocht schenden. Na overtreding van deze afspraken werd hij op 1 augustus 2005 ontslagen wegens plichtsverzuim. Appellant maakte geen bezwaar tegen het ontslagbesluit.
Vervolgens verzocht appellant om een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering, die beide werden geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij het ontslag niet had aangevochten, waardoor hij de werkloosheid aan zichzelf te wijten had.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, stellende dat het niet aanvechten van het ontslag niet kansloos was en dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Er waren geen redenen aangevoerd waarom voortzetting van de dienstbetrekking niet van appellant kon worden gevergd. De Raad handhaafde daarom de blijvende weigering van de WW- en bovenwettelijke uitkering.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering wegens verwijtbaar werkloosheid wordt bevestigd.