ECLI:NL:CRVB:2007:BB9625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, met de Egyptische nationaliteit, vroeg op 22 juni 2005 een bijstandsuitkering aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waardoor hij niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens artikel 11 WWB Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat ook internationale verdragen zoals het IVBPR en IVESCR geen recht op bijstand verschaffen in deze situatie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de weigering in strijd was met redelijkheid en billijkheid en dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt. Tevens stelde hij dat de weigering discriminerend was en verwees naar internationaalrechtelijke bepalingen met reflexwerking. De Raad overwoog echter dat artikel 11 WWB Pro geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat de door appellant genoemde verdragen niet direct toepasbaar zijn in de nationale rechtsorde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 21 november 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft en niet tot de kring van rechthebbenden behoort.