ECLI:NL:CRVB:2007:BB9612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering herleving recht op WW-uitkering wegens overschrijding herlevingstermijn
Betrokkene heeft een WW-uitkering aangevraagd per 1 mei 2005, waarbij het UWV de uitkering over een deel (deel B) heeft geweigerd vanwege het overschrijden van de wettelijke herlevingstermijn van zes maanden. Betrokkene voerde aan dat hij vanaf 3 mei 2004 doorlopend arbeidsongeschikt was, waardoor het WW-recht pas op 1 mei 2005 zou zijn ontstaan, en subsidiar dat het recht per die datum herleefde omdat hij toen beschikbaar was voor arbeid.
De Raad stelde vast dat betrokkene vanaf 8 juni 2004 een Ziektewetuitkering ontving en dat het WW-recht op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel d van de WW is geëindigd. Vanaf 21 juli 2004 werd betrokkene hersteld verklaard, maar hij was niet beschikbaar voor arbeid en de werkgever betaalde onverplicht het loon door. Dit werd niet aangemerkt als een uitkering gelijk aan de Ziektewet, waardoor het recht op WW-uitkering over deel B op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel b is geëindigd.
De Raad verwierp het standpunt van betrokkene dat het WW-recht pas op 1 mei 2005 was ontstaan en oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat het recht op WW-uitkering over deel B niet herleefde omdat de herlevingstermijn van zes maanden was overschreden. De rechtbank had ten onrechte het besluit van het UWV vernietigd. Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering over deel B wordt bekrachtigd.