ECLI:NL:CRVB:2007:BB6745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding vermogen
Appellante ontving bijstand vanaf 1994 en heeft vanaf 1997 een appartement in Turkije in eigendom, wat zij niet aan het College heeft gemeld, in strijd met haar inlichtingenplicht. Het College trok de bijstand over de periode van 27 augustus 1997 tot en met 8 maart 1998 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende vaststaat welke waarde het appartement had en vernietigde het besluit. Het College stelde daarop een nieuw besluit vast waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard, met als argument dat de waarde van het appartement de vermogensgrens overschreed.
De Raad oordeelt dat door de schending van de inlichtingenplicht niet kan worden vastgesteld of appellante recht had op bijstand, waardoor het College bevoegd is de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad vernietigt het besluit van 13 maart 2007, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.