ECLI:NL:CRVB:2007:BB6452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand van de gemeente Delft vanaf september 2001, met diverse aanpassingen in de norm. In 2004 startte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering, naar aanleiding van een melding. Uit het onderzoek bleek dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde op een adres in Mijdrecht, waardoor hij zijn woonplaats buiten Delft had. Het College trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat hij het opgegeven postadres correct had doorgegeven en dat hij wisselend bij vrienden verbleef of in zijn auto sliep. De Raad oordeelde echter dat appellant niet de juiste en volledige informatie had verstrekt over zijn woon- en leefsituatie. Bewijzen zoals verklaringen van omwonenden, bankgegevens, en medische voorzieningen wezen op woonplaats in Mijdrecht.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het College terecht de bijstand kon intrekken en terugvorderen op grond van de WWB. Het beleid van het College om bij terugvordering tot volledige terugvordering over te gaan werd als redelijk beoordeeld. Een beroep op eerdere jurisprudentie omtrent termijnoverschrijding werd verworpen omdat appellant niet tijdig en volledig had geïnformeerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering bevestigd.