ECLI:NL:CRVB:2007:BB5401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAJONG-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid zonder causaal verband met studie
Appellante ontving sinds 1999 een WAJONG-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 80-100%. Vanaf september 2002 volgde zij een HBO-opleiding. In 2004 concludeerde een verzekeringsarts dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder 25%, wat leidde tot intrekking van de uitkering. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard omdat het UWV oordeelde dat de afname van arbeidsongeschiktheid niet direct verband hield met de studie.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en stelde dat de wet bescherming biedt tegen intrekking of herziening van de uitkering tijdens scholing alleen als de afname van arbeidsongeschiktheid het gevolg is van die scholing. Appellante voerde aan dat onvoldoende was onderzocht of haar studie de oorzaak was van de afname, maar zij leverde geen medisch bewijs hiervoor.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts de studie meeberekende als een factor die voorafgaand aan de opleiding haar mogelijkheden vergrootte, niet als oorzaak van afname. Er was geen causaal verband tussen studie en afname van arbeidsongeschiktheid. Daarom was de intrekking van de uitkering terecht en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de WAJONG-uitkering is terecht omdat er geen causaal verband is tussen de studie en de afname van arbeidsongeschiktheid.