ECLI:NL:CRVB:2007:BB1829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.J.A. Kooijman
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting tot hypotheek vestigen bij bijstand in de vorm van geldlening
Appellante ontvangt sinds juni 1989 bijstand en woont in een eigen woning. Het College voerde een onderzoek uit naar de overwaarde van deze woning en besloot op 3 mei 2005 de bijstand voortaan in de vorm van een geldlening te verstrekken, met een verplichting tot het vestigen van een hypotheek als zekerheid. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij in het verleden de verwachting had gekregen dat zij geen hypotheek hoefde te vestigen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelt dat artikel 50 van Pro de WWB het toetsingskader vormt voor de vorm van bijstand, ook bij herbeoordeling. Aangezien aan de voorwaarden van artikel 50 lid 2 is Pro voldaan, was het College gehouden de bijstand als geldlening te verstrekken.
Verder oordeelt de Raad dat het beleid van het College om bij geldlening de verplichting tot hypotheekvestiging op te leggen niet onredelijk is. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden omdat appellante geen rechtmatig vertrouwen kon ontlenen aan eerdere mededelingen dat zij geen hypotheek hoefde te verstrekken. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verplichting tot het vestigen van een hypotheek bij bijstand in de vorm van een geldlening wordt bevestigd, zonder schending van het vertrouwensbeginsel.