ECLI:NL:CRVB:2007:BB1718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uitkering WWIK wegens onvoldoende inkomen na aftrek afschrijvingskosten
Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) die door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd beëindigd wegens onvoldoende inkomen in de twaalf maanden voorafgaand aan de dertiende uitkeringsmaand. Het geschil betrof de vraag of afschrijvingskosten op de omzet in mindering mochten worden gebracht bij de vaststelling van het inkomen.
De Raad oordeelde dat afschrijvingskosten behoren tot de vaste kosten die op grond van het Uitvoeringsbesluit WWIK in mindering moeten worden gebracht. Het College had het inkomen van appellant terecht vastgesteld op € 1.905,95, lager dan de verlaagde inkomenseis van € 2.566,67, waardoor beëindiging van de uitkering gerechtvaardigd was.
Appellant voerde aan dat hij onvoldoende was geïnformeerd en dat een overgangsregeling had moeten gelden, maar dit werd verworpen. Ook een nieuw aangevoerde grief over ziekte en verdere verlaging van de inkomenseis werd niet ontvankelijk verklaard. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WWIK-uitkering wegens onvoldoende inkomen na aftrek van afschrijvingskosten.