ECLI:NL:CRVB:2007:BB1677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over WAO-uitkering wegens ontoereikende medische grondslag
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV, dat zijn WAO-uitkering op 35 tot 45% stelde. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures handhaafde het UWV deze mate van arbeidsongeschiktheid, ondanks dat appellant stelde dat hij aanzienlijk meer beperkingen had en niet geschikt was voor de geduide functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van 17 januari 2006, maar het UWV nam een nieuw besluit op bezwaar dat het bezwaar wederom ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de besluiten van het UWV berusten op een ontoereikende medische grondslag, omdat het UWV zelf erkende dat appellant gedurende 104 weken toegenomen arbeidsongeschikt was en dat de WAO-uitkering vanaf 6 februari 2006 verhoogd had moeten worden naar 80 tot 100%. De Raad vernietigde daarom de bestreden besluiten en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, behalve voor zover deze over proceskosten en griffierecht besliste.
Uitkomst: De besluiten van het UWV worden vernietigd wegens ontoereikende medische grondslag en het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.