ECLI:NL:CRVB:2003:AF6192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geschiktheid voor arbeid en recht op ziekengeld na herniaoperatie
Gedaagde, die sinds 1989 een herniaoperatie heeft ondergaan en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangt, meldde zich in november 1998 ziek met klachten aan de rechterschouder na een ongeval. Appellant, het UWV, weigerde vanaf mei 1999 ziekengeld toe te kennen omdat gedaagde niet ongeschikt was tot werken. Dit besluit was gebaseerd op medisch en arbeidsdeskundig onderzoek dat concludeerde dat gedaagde in staat was om twee functies te vervullen: stikker leren tassen en monteur transformatoren.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij oordeelde dat gedaagde niet bovenhands kan tillen en werken, wat volgens haar noodzakelijk is voor de functie van monteur transformatoren. De rechtbank achtte daarom het besluit onjuist en vernietigde het. Gedaagde stelde dat deze functies niet geschikt waren en dat aansluiting moest worden gezocht bij een minimum van drie functies met voldoende arbeidsplaatsen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor de toepassing van de Ziektewet ongeschiktheid moet worden beoordeeld ten opzichte van alle passende functies die eerder in het kader van de AAW en WAO zijn vastgesteld. De Raad volgt de deskundige die concludeerde dat gedaagde niet bovenhands mag tillen, maar stelt dat de functie stikker leren tassen geen bovenhands tillen vereist. Daarom is gedaagde geschikt voor deze functie en kan het beroep op intern beleid dat meerdere functies geschikt moeten zijn niet slagen omdat artikel 19 ZW Pro dwingendrechtelijk is.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het inleidend beroep ongegrond, waarmee het besluit van appellant om geen ziekengeld te verlenen wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ontzegging van ziekengeld wordt bevestigd.