ECLI:NL:CRVB:2007:BB1059

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/5133 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 24 WW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar uitkering werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het verzoek tot herziening was gebaseerd op het onder de aandacht brengen van een eerdere rechterlijke uitspraak die volgens verzoekster nieuwe feiten of omstandigheden zou bevatten.

De Raad overwoog dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat bij het aantonen van nieuwe feiten of omstandigheden die relevant zijn voor de zaak zelf. Een rechterlijke uitspraak in een andere zaak kan niet als zodanig worden beschouwd. Bovendien had verzoekster de betreffende uitspraak reeds tijdens de eerdere procedures kunnen aanvoeren.

De Raad bevestigde dat verzoekster verwijtbaar werkloos is geworden en dat de uitkering op grond van de wet blijvend geweigerd moet worden. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

06/5133 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[verzoekster], (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2005, 03/6434 WW,
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 augustus 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster is door haar echtgenoot, mr. G.C. Hendriks, werkzaam bij het Bureau voor Juridische en Maatschappelijke dienstverlening te ’s-Hertogenbosch, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 juli 2005, 03/6434 WW.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens verzoekster zijn nadere stukken in het geding gebracht.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben
kunnen leiden.
1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak of over de betrokken uitspraak te openen.
2.1. In de uitspraak, waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad als volgt overwogen: “Gedaagde heeft bij besluit van 10 juni 2002, gehandhaafd bij besluit van 6 september 2002, het bestreden besluit, deze uitkering blijvend geheel geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden, nu zij had moeten begrijpen dat het niet aanvaarden van één van de door de Weener Groep, door wie zij in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden werd gedetacheerd, aangeboden functies tot beëindiging van de dienstbetrekking zou kunnen leiden.” Verzoekster heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW in samenhang met artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW.
2.2. De Raad heeft in zijn uitspraak de partijen verdeeld houdende vraag of de drie functies die verzoekster in februari 2002 zijn aangeboden voor haar als passend kunnen worden beschouwd, evenals de rechtbank, bevestigend beantwoord. De Raad heeft verzoekster niet gevolgd in haar standpunt dat de aangeboden functies om medische én om andere redenen niet passend waren.
3.1. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat zij, nadat de Raad uitspraak had gedaan, via het internet, op de site www.rechtspraak.nl, kennis heeft genomen van een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2000, LJN AA5881. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het vinden van die uitspraak een feit of omstandigheid is als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.
3.2. Door het Uwv is hiertegen aangevoerd dat verzoekster, gelet op de datum en de publicatie van de uitspraak van de rechtbank Arnhem, eerder met die uitspraak bekend had kunnen zijn, en die uitspraak tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep had kunnen inbrengen. Ook stelt het Uwv dat die uitspraak niet zou hebben geleid tot een andere uitspraak van de Raad, nu verzoekster verwijtbaar werkloos is geacht in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW, in welk geval de uitkering op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, blijvend geheel moet worden geweigerd.
4.1. De Raad is van oordeel dat de wetgever met de term “feiten en omstandigheden” in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb het oog heeft gehad op de feiten en omstandigheden die de concrete situatie van het voorliggende geval betreffen en die relevant zijn voor de beoordeling daarvan, Een rechterlijke uitspraak in een andere zaak kan niet als zodanig worden gezien. De Raad is derhalve van oordeel dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.