ECLI:NL:CRVB:2007:BB0749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1982 algemene bijstand naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand met ingang van 1 januari 2001 in en vorderde €18.993,46 terug, omdat appellante geen melding had gemaakt van een bankrekening met aanzienlijke tegoeden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het tegoed op de rekening aan haar gehandicapte dochter toebehoorde en zij niet vrij over het geld kon beschikken. De Raad oordeelde dat de rekening op naam van appellante stond en dat zij onvoldoende had aangetoond dat het vermogen niet tot haar beschikking stond.
Verder bleek uit bankafschriften dat de rekening ook voor haar eigen stortingen en betalingen werd gebruikt. De Raad concludeerde dat appellante vanaf 1 februari 2002 over vermogen beschikte dat de vrij te laten vermogensgrens overschreed en daarmee geen recht meer had op bijstand.
Door het niet melden van de rekening schond appellante haar inlichtingenplicht. Ook voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 januari 2002 was de inlichtingenplicht geschonden, mede vanwege onduidelijkheden over het saldo en contante bedragen. Het College was bevoegd de bijstand over de gehele periode in te trekken en terug te vorderen.
De Raad zag geen reden om af te wijken van het terugvorderingsbeleid en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht.