ECLI:NL:CRVB:2007:BA8846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en vaststelling overschrijding redelijke termijn bij WAO-uitkering
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn WAO-uitkering, die door het UWV was vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege het ontbreken van een deugdelijke arbeidskundige grondslag en stelde vast dat het UWV de redelijke termijn had overschreden, zonder hier consequenties aan te verbinden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb moest worden toegewezen, omdat het nadere besluit van het UWV van 11 januari 2007 volledig tegemoet kwam aan het beroep van appellant. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, waarbij de termijn aanving op het moment van het ingediende beroepschrift op 29 december 1995 en de procedure ruim elf jaar duurde.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens werd het eerdere besluit van 11 mei 1999 vernietigd. De Raad benadrukte dat de overschrijding van de redelijke termijn een schending van artikel 6 EVRM Pro vormt en dat het UWV hiervoor aansprakelijk is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit en de uitspraak, stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.