ECLI:NL:CRVB:2007:BA8180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3218 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand tijdens detentie wegens ontbreken acute noodsituatie

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd vanaf 29 januari 2004 in voorlopige hechtenis genomen. De bijstand werd ingetrokken tijdens de detentieperiode. Appellant verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van het aanhouden van zijn huurwoning gedurende zijn detentie, maar dit verzoek werd door het College afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 13 WWB Pro geen recht op bijstand bestaat tijdens vrijheidsontneming, behalve bij zeer dringende redenen volgens artikel 16 WWB Pro. Appellant stelde dat het behoud van zijn filmdocumentaires in de woning essentieel was om psychische schade te voorkomen, maar kon dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwen. Het ontbreken van medische rapporten en het niet aantonen van een acute noodsituatie leidde tot de conclusie dat het College niet bevoegd was om bijzondere bijstand te verlenen.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om de proceskosten aan het College toe te kennen. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juni 2007.

Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor de kosten van het aanhouden van de huurwoning tijdens detentie wordt bevestigd wegens ontbreken van een acute noodsituatie.

Uitspraak

06/3218 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 april 2006, 05/241 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J. Skála, advocaat te Haren, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Skála. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R. Mulder, werkzaam bij de gemeente Groningen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving vanaf 1 december 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 29 januari 2004 is appellant in voorlopige hechtenis genomen. Bij besluit van 9 februari 2004 is de bijstand van appellant in verband met diens detentie met ingang van 29 januari 2004 ingetrokken. Op 29 juli 2004 is appellant ontslagen uit detentie. Bij besluit van 9 augustus 2004 is appellant met ingang van 29 juli 2004 weer bijstand verleend.
Op 16 april 2004 heeft appellant gevraagd hem vanaf 29 januari 2004 in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van het aanhouden van zijn huurwoning tijdens de periode van detentie.
Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 13 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 13, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB is het College bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2 bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt - het College eerst dan bevoegd is met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen, indien in concreto vast staat dat sprake is van een acute noodsituatie, en dat de behoeftige omstandigheden waarin belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
In dit verband heeft appellant gewezen op de in zijn woning aanwezige filmdocumentaires en dat hij bij een eventuele onherstelbare beschadiging daarvan in een psychose zou kunnen geraken. Appellant heeft gesteld dat de destijds door de reclassering en door een psychiater opgemaakte rapporten thans niet meer beschikbaar zijn, en dat het College, nu daarnaar van die zijde ten tijde van de aanvraag niet is gevraagd, thans niet meer om een medische rapportage kan vragen. Verder zou appellant wel in het bezit zijn van een TBS-advies, doch daaruit zou naar de mening van appellant niet mogen worden geciteerd.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat sprake is van een acute noodsituatie in vorenbedoelde zin. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zijn stellingen niet met verifieerbare en objectieve gegevens heeft onderbouwd. Dat het College om de door appellant aangegeven reden niet meer zou mogen vragen om een medische onderbouwing van zijn stelling vermag de Raad niet in te zien, nu appellant eerst tijdens de hoorzitting in bezwaar de door hem gestelde psychische schade aan de orde heeft gesteld. De Raad ziet in hetgeen door appellant naar voren is gebracht met betrekking tot de inhoud van het TBS-advies geen aanleiding om alsnog, mogelijk door tussenkomt van een arts, kennis te nemen van dit rapport, nu niet is gebleken dat dit rapport een verband legt tussen de mogelijke beschadiging van de filmdocumentaires en de kans op het ontstaan van een psychose bij appellant.
Dit betekent dat het College niet de bevoegdheid heeft de aanvraag van appellant op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB in te willigen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooiman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.
(get.) A.B.J. van der Ham.
)get.) L. Jörg.