ECLI:NL:CRVB:2007:BA7817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering ANW-uitkering met terugwerkende kracht
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die in 2004 met terugwerkende kracht werd beëindigd vanwege samenwoning sinds 1 december 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) voerde een onderzoek uit en constateerde samenwoning, waarna zij de uitkering vanaf 1 januari 2000 stopzette en een terugvordering van ruim €49.000 aankondigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte werd betaald. De Svb had echter nagelaten adequaat te reageren op meldingen van appellante en eigen onderzoek, waardoor jarenlang ten onrechte werd betaald.
Gezien de geringe verwijtbaarheid van appellante en de grote verwijtbaarheid van de Svb, evenals de ingrijpende financiële gevolgen van terugwerkende kracht over ruim vier jaar, acht de Raad een beperking van de terugwerkende kracht tot de helft van de periode onvoldoende. Een beperking tot een vierde van de periode zou acceptabel zijn.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt de Svb een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.