ECLI:NL:CRVB:2007:BA7141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onjuiste wettelijke grondslag
Appellante ontving bijzondere bijstand voor woonkosten en andere zaken van juli 2002 tot juni 2003. Het College vermoedde dat zij niet op het opgegeven adres woonde en startte een onderzoek, waaruit bleek dat appellante voornamelijk bij haar moeder woonde en niet op het bij het College bekende adres. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
De rechtbank handhaafde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College zich ten onrechte op de Abw baseerde terwijl vanaf 1 januari 2004 de Wet werk en bijstand (WWB) van toepassing is. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover het intrekking en terugvordering betreft. De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden en dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering.
Verder werd geoordeeld dat de brief van het College van 3 december 2004 wel een besluit met rechtsgevolg is, in tegenstelling tot de rechtbank. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit was ten onrechte ongegrond verklaard en het besluit werd vernietigd wegens gebrek aan motivering en onderzoek naar haar betaalcapaciteit. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen over de aflossingsverplichting.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag en onvoldoende motivering, met behoud van rechtsgevolgen en opdracht tot nieuw besluit over aflossingsverplichting.