ECLI:NL:CRVB:2007:BA6964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder. De Sociale Dienst van Amsterdam bracht op 8 juni 2004 een onaangekondigd huisbezoek uit vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding met [O.]. Op basis van het onderzoek en verklaringen trok het College de bijstand per 8 juni 2004 in. Betrokkene maakte bezwaar, dat deels werd toegewezen, waarna het College het bezwaar introk en bijstand verleende met verrekening van inkomsten.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking wegens onvoldoende feitelijke grondslag dat [O.] zijn hoofdverblijf had bij betrokkene en onvoldoende onderzoek naar de woonsituatie van [O.]. Het College ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het College onvoldoende bewijs had geleverd voor de gezamenlijke huishouding. De aanwezigheid van kleding en persoonlijke spullen van [O.] in de woning was onvoldoende om te concluderen dat hij er woonde.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten van betrokkene en wees het griffierecht toe. De intrekking van de bijstand werd bevestigd voor de periode tot en met het primaire besluit van 21 juni 2004. De Raad nam het standpunt van betrokkene over de verrekening van inkomsten met bijstand over en liet dat buiten beschouwing in zijn beoordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.