ECLI:NL:CRVB:2007:BA5954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid voor 1998
Appellant, exploitant van een café annex petit-restaurant, vroeg in december 1999 een WAZ-uitkering aan wegens vermeende arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari 1998. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was vanaf die datum. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat er geen bewijs was voor arbeidsongeschiktheid voor 1 januari 1998 en dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij al voor 1 januari 1998 arbeidsongeschikt was en dat zijn maatmaninkomen onjuist was berekend, onder meer omdat het jaar 1993 niet was meegenomen en het aantal gewerkte uren en de winstverdeling onjuist waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende objectief-medische gegevens had overgelegd om zijn eerdere arbeidsongeschiktheid te onderbouwen.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht het maatmaninkomen had vastgesteld op basis van de nettowinst over de jaren 1997, 1995 en 1994, waarbij 1996 buiten beschouwing was gelaten vanwege een uitzonderlijk laag inkomen. Ook het aantal gewerkte uren (60 per week) en de winstverdeling tussen appellant en zijn echtgenote werden als redelijk en onderbouwd beschouwd.
De Raad concludeerde dat appellant de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies medisch en arbeidskundig kon verrichten en dat het hoger beroep daarom niet slaagde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Dordrecht werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.