ECLI:NL:CRVB:2007:BA5921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- R. Kooper
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorwaardelijk ontslag na overtreding bedrijfsvoorschriften tramvervoerder
Appellant, werkzaam als trambestuurder bij het GVB, kreeg op 30 november 2004 voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens het niet bereikbaar zijn voor de rapporteur arbeidsverzuim. Op 28 januari 2005 was appellant betrokken bij een aanrijding tussen twee trams, waarbij hij de bedrijfsvoorschriften omtrent het inrijden van een inloopwissel niet heeft nageleefd. De Aanrijding- en Ontsporingcommissie concludeerde dat appellant niet conform voorschriften had gehandeld.
Het college besloot op 8 april 2005 het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd bij besluit van 25 oktober 2005 gehandhaafd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit tot voorwaardelijk ontslag vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. De Raad beoordeelde of het plichtsverzuim van appellant rechtvaardigt dat het voorwaardelijk ontslag wordt uitgevoerd. Uit de feiten en verklaringen blijkt dat appellant de snelheid overschreed en niet wachtte op het tegemoetkomend verkeer, wat ernstige overtreding van de bedrijfsvoorschriften is.
Een mogelijk defect aan het wissel doet hieraan niet af, aangezien de voorschriften juist bedoeld zijn om ongelukken bij defecten te voorkomen. Het college hoefde appellant geen herinstructie aan te bieden omdat geen tekortkomingen in rijvaardigheid waren vastgesteld. De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag wordt ongegrond verklaard.