ECLI:NL:CRVB:2007:BA5440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid in verminderde mate
Appellante was sinds 12 juni 2000 in dienst bij haar werkgever als administratief medewerker. De arbeidsovereenkomst werd op 1 januari 2004 ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhoudingen, waarbij de kantonrechter oordeelde dat de verstoring voornamelijk aan appellante te wijten was. Appellante voerde verweer tegen de ontbinding en stelde dat de werkgever zich niet als goed werkgever had gedragen.
Na ontbinding vroeg appellante een WW-uitkering aan, die door het Uwv gedeeltelijk werd geweigerd en met 35% werd verlaagd wegens verwijtbare werkloosheid in verminderde mate. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en concludeerde dat haar houding en functioneren verwijtbaar waren, mede omdat zij niet op medische gronden ongeschikt was bevonden.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat de toekenning van een volledige ziektewetuitkering niet uitsluit dat de WW-uitkering kan worden verlaagd bij verwijtbare werkloosheid. De Raad bevestigde dat appellante haar verplichtingen niet was nagekomen en dat de verlaging van de WW-uitkering terecht was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering van appellante wegens verwijtbare werkloosheid in verminderde mate wordt bevestigd.