ECLI:NL:CRVB:2007:BA5122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogen en terugvordering
Appellant ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering. Uit onderzoek bleek dat appellant op 31 december 2002 een bankrekening bij de Rabobank had met een saldo van €7.500, wat niet bij het College bekend was. Het College besloot daarom de bijstandsuitkering over de periode 1 januari 2003 tot en met 5 mei 2003 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat het tegoed op de rekening toebehoorde aan het kerkgenootschap waarvan hij voorzitter was, en niet aan hem persoonlijk. De Raad oordeelde echter dat het tegoed op een rekening op naam van appellant vermoed wordt tot zijn vermogen te behoren, tenzij hij het tegendeel kan bewijzen. Appellant slaagde niet in deze bewijslast.
De Raad vond de verklaring en overgelegde stukken onvoldoende om het tegoed aan het kerkgenootschap toe te rekenen. Ook de opnames in het buitenland en het ontbreken van controleerbare onderbouwing werden meegewogen. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van de kosten worden bevestigd omdat appellant niet heeft aangetoond dat het tegoed niet tot zijn vermogen behoort.