ECLI:NL:CRVB:2007:BA4634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1991 bijstand, aanvankelijk als alleenstaande ouder en later als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij samenwoonde met een partner, voerde de gemeente Helmond een onderzoek uit. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, observaties, huisbezoek, verklaringen en getuigenverhoren. Op basis hiervan concludeerde het College dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van ten onrechte ontvangen bedragen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gezamenlijke huishouding conform artikel 3 van Pro de WWB. De Raad stelt dat de aard van de relatie, subjectieve beleving en motieven voor samenwonen niet relevant zijn voor de toepassing van de WWB. Ook het feit dat de partner hielp bij ziekte wijst op zorg voor elkaar en daarmee op een gezamenlijke huishouding.
Het College handhaafde het beleid om bij schending van de inlichtingenplicht de bijstand in te trekken en terug te vorderen, tenzij dringende redenen zich voordoen. De Raad oordeelt dat dit beleid redelijk is en dat appellante geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd om hiervan af te wijken. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand worden bevestigd.