ECLI:NL:CRVB:2007:BA3622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en terugvordering na arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 5 september 2000 uit wegens gezondheidsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 4 september 2001 toe te kennen vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid en trok de voorschotten in. Appellant ging in bezwaar en beroep tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de uitkering ongegrond, maar oordeelde dat de terugvordering van voorschotten niet rechtmatig was vanwege vertraging door het UWV.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel dat appellant niet medisch objectief arbeidsongeschikt is, gebaseerd op uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek. De subjectieve klachten van appellant worden niet doorslaggevend geacht. De Raad stelt vast dat er geen objectieve medische onderbouwing is voor beperkingen die tot arbeidsongeschiktheid leiden.
Ten aanzien van de terugvordering oordeelt de Raad dat de vertraging van het UWV geen dringende reden vormt om af te zien van terugvordering van voorschotten. Appellant was vooraf geïnformeerd over de terugbetalingsplicht. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd en het beroep tegen de terugvordering ongegrond verklaard. De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Afwijzing WAO-uitkering bevestigd; terugvordering van voorschotten gehandhaafd en beroep daarop ongegrond verklaard.