ECLI:NL:CRVB:2007:BA1782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na melding dat zij een kamer verhuurde aan [A.], stelde de gemeente Utrecht een onderzoek in naar hun woon- en leefsituatie. Uit het onderzoek bleek dat zij van 1 maart 2004 tot 9 december 2004 een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 1 maart 2004.
De Raad oordeelde dat appellante en [A.] gedurende genoemde periode hun hoofdverblijf deelden, zorg droegen voor elkaar en dat de huurrelatie niet louter zakelijk was. Hierdoor had appellante geen recht op bijstand als alleenstaande ouder. Voor de periode van 9 tot en met 23 december 2004 was onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de intrekking ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigt dit voor de periode na 9 december 2004 wegens ondeugdelijke motivering. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd tot 9 december 2004 en vernietigd voor de periode daarna, met opdracht tot nieuw besluit.