ECLI:NL:CRVB:2007:BA0927

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2792 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding kosten rechtsbijstand bij bezwaar tegen terugvordering arbeidsongeschiktheidsuitkering

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om de terugvordering van onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998 te handhaven. Het geschil betrof de vraag of het UWV de kosten van rechtsbijstand die appellant maakte tijdens de bezwaarprocedure moest vergoeden.

Appellant voerde aan dat het UWV fouten had gemaakt die hem dwongen hoge advocaatkosten te maken, en dat deze kosten vergoed moesten worden. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant het besluit op bezwaar niet inhoudelijk had bestreden en dat uit de stukken niet bleek dat appellant vooraf om vergoeding van de kosten had verzocht.

Op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is vergoeding van kosten tijdens bezwaar alleen verplicht indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid en indien vooraf om vergoeding is verzocht. Omdat het besluit niet was herroepen en geen verzoek tot vergoeding was gedaan, was er geen grond voor vergoeding. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV niet gehouden is tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand bij bezwaar tegen terugvordering arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Uitspraak

05/2792 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2005, 04/3198 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv was, zoals aangekondigd, niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van 10 september 2004 waarbij het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft gehandhaafd zijn besluit van 2 november 1999 tot terugvordering van de over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998 onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In hoger beroep heeft appellant als enige beroepsgrond herhaald dat het Uwv dermate storende en hem op het verkeerde spoor zettende fouten heeft gemaakt, dat hij genoodzaakt is geweest hoge advocaatkosten te maken. Appellant meent dat het Uwv deze kosten dient of anders behoort te vergoeden.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad stelt voorop dat appellant het besluit op bezwaar van 10 september 2004 niet inhoudelijk heeft bestreden.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of het Uwv de kosten van rechtsbijstand ter zake van de behandeling van het bezwaar tegen het besluit tot terugvordering van 2 november 1999 dient of anders behoort te vergoeden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant zelf tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt en dat mr. D. Stuive, advocaat te Rotterdam, namens appellant aanvullende gronden van bezwaar heeft ingediend.
Voor proceskosten die een belanghebbende heeft moeten maken in de fase van bezwaar is in artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bijzondere regeling getroffen. Op grond van deze regeling is het bestuursorgaan slechts verplicht tot vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Tevens geldt als voorwaarde dat de belanghebbende om vergoeding moet hebben verzocht en wel voordat op het bezwaar is beslist.
Uit de stukken is niet gebleken dat door of namens appellant is verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in de fase van bezwaar. Bovendien is het besluit van 2 november 1999 niet herroepen.
Aan de voorwaarden die artikel 7:15 van Pro de Awb stelt, is derhalve niet voldaan, zodat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv gehouden is tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 2 november 1999 heeft moeten maken. De Raad ziet voorts geen reden om van de duidelijke bepalingen van de Awb af te wijken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) J.J. Janssen.