ECLI:NL:CRVB:2007:BA0194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WAO-uitkeringsbesluit inzake mate van arbeidsongeschiktheid en ervaringseis
Appellant, geboren in 1947, viel in maart 2002 uit wegens rugklachten. Na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies kende het UWV aanvankelijk een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Later werd dit percentage herzien naar 35-45%, waarna appellant bezwaar maakte. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde de beperkingen en het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de onjuiste vermelding van beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ook betwistte hij de ervaringseis voor een accountmanagerfunctie. De Raad constateerde dat het UWV tijdens de procedure een nieuw besluit (besluit II) nam, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45-55%, mede gebaseerd op een correctie van het maatmaninkomen.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen het eerdere besluit en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De arbeidskundige beoordeling was voldoende gemotiveerd en de bezwaararbeidsdeskundige had de belastbaarheid van appellant niet overschat. De ervaringseis voor de accountmanagerfunctie werd niet aan de schatting ten grondslag gelegd, maar dit leidde niet tot een ontoereikende arbeidskundige grondslag. Het beroep tegen besluit II werd ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard voor het eerdere besluit en ongegrond voor het herzieningsbesluit; het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.