ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 1987 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellant feitelijk samenwoonde met betrokkene op haar adres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand over de periode 1 mei 1997 tot en met 31 oktober 2001 en terugvordering van €48.032,77.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad bevestigt dat op grond van artikel 3, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) sprake was van een gezamenlijke huishouding, ondanks het feit dat appellant en betrokkene formeel aparte adressen hadden. De verklaringen van appellant en betrokkene, ondersteund door getuigenverklaringen en andere feiten zoals het huren van een parkeerplek en het beschikken over een sleutel, ondersteunen deze conclusie.
De Raad oordeelt dat appellant ten onrechte bijstand als alleenstaande heeft ontvangen en dat het College terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd omdat appellant feitelijk samenwoonde met betrokkene.