ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbindingsvergoeding
Appellanten ontvingen bijstand van april tot oktober 2002 en vanaf december 2003. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2003 ontving appellant een ontbindingsvergoeding van bruto €7.715,-. Het College trok de bijstand over april tot augustus 2002 in en vorderde terugbetaling wegens niet gemelde inkomsten. De rechtbank oordeelde dat de ontbindingsvergoeding betrekking had op de periode van april tot september 2002 en handhaafde het besluit.
De Raad stelt dat bijstand bedoeld is als aanvulling op eigen inkomen en dat een vergoeding als de ontbindingsvergoeding in principe bestemd is voor de periode na ontbinding, tenzij ondubbelzinnig anders blijkt. De enkele verklaring van de advocaat van de voormalige werkgever over finale kwijting is onvoldoende om de vergoeding toe te rekenen aan de betwiste periode.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank voor zover het het besluit handhaafde en herroept het besluit van het College. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt herroepen omdat de ontbindingsvergoeding niet ondubbelzinnig als inkomen voor de betwiste periode kan worden aangemerkt.