ECLI:NL:CRVB:2006:BA1326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens laatstelijke zelfstandige werkzaamheden
Appellant was aanvankelijk in het genot van een WW-uitkering, maar deze werd beëindigd omdat hij werkzaamheden verrichtte via een eigen BV voor een bedrijf in het Verenigd Koninkrijk. De uitkeringsinstantie oordeelde dat appellant laatstelijk als zelfstandige werkzaam was en daarom niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering.
Appellant stelde dat er sprake was van een dienstverband vanwege instructies van het bedrijf en dat hij zijn werkzaamheden volledig had beëindigd, waardoor hij recht zou hebben op voortzetting van de WW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad vond onvoldoende bewijs dat appellant onder gezag van het bedrijf werkte of dat er een arbeidsovereenkomst bestond. Ook concludeerde de Raad dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn zelfstandige werkzaamheden volledig had beëindigd, ondanks de mogelijkheid om aanvullende stukken te overleggen.
Daarom was het besluit van de uitkeringsinstantie om de WW-uitkering niet voort te zetten terecht. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het eerdere vonnis.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt niet voortgezet omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn zelfstandige werkzaamheden volledig heeft beëindigd.